De Sociale Staat van Nederland 2003, bijlagen

hoofdstuk 2: Onderwijs

Bijlage 2.4 Verhouding aantallen leraren/leerlingen en onvervulde uren in scholen

Nota bene: in de hoofdtekst van De sociale staat van Nederland 2003 is de verhouding tussen de aantallen leerlingen en leraren per onderwijstype gegeven.

Verhouding aantallen leraren/leerlingen

Figuur 1 Onderwijspersoneel in de diverse onderwijsfasen per 1.000 jongeren in de relevante leeftijdscategorie, 1992-2001

Figuur 1 Onderwijspersoneel in de diverse onderwijsfasen per 1.000 jongeren in de relevante leeftijdscategorie, 1992-2001
Bron: OCenW (1999-2003); CBS (2002); TK (2002/2003) SCP-bewerking

In figuur 1 is voor elke onderwijsfase weergegeven hoeveel onderwijzend personeel ter beschikking staat van kinderen in de relevante leeftijdscategorie en hoe deze verhouding zich heeft ontwikkeld. Er is een groot verschil tussen het verhoudingsgetal voor het tertiair onderwijs en de andere onderwijsfasen. Dit komt doordat in primair en secundair onderwijs vrijwel alle jongeren worden bereikt (leerplicht) en dus de voorziening gebruiken, terwijl slechts een deel van hen gebruik maakt van het tertiair onderwijs.

Onvervulde uren in scholen

Figuur 2: Gemiddeld aantal onvervulde uren per week per school in het funderend en beroepsonderwijs bij de start van het schooljaar, 2000-2002

Figuur 2: Gemiddeld aantal onvervulde uren per week per school in het funderend en beroepsonderwijs bij de start van het schooljaar, 2000-2002
Bron: Berndsen et al. (2002)

De intensiteit van het lerarentekort is 1,3% in bao, 1,0% in vo en 0,6% in de bve-sector (peildatum 1 oktober 2001; OCenW 2002b). De intensiteit staat voor het aantal openstaande vacatures als percentage van de werkgelegenheid. In de marktsector ligt de vacature-intensiteit op 3%. Dan is 1,3% niet extreem veel. Toch kan, zoals het ministerie van OCenW (2003: 7) aangeeft, een openstaande vacature in het onderwijs niet worden vergeleken met de marktsector: 'Onderwijs heeft een leveringsplicht, terwijl een bedrijf een opdracht kan uitstellen of weigeren.'
Terwijl 17% van de basisscholen onvervulde uren voor groepsleerkrachten telt bij de start van het schooljaar 2002/'03, geldt dat voor 62% van de vo-scholen (Berndsen et al. 2002; SBO 2002). Talen, vaak Duits, en exacte vakken, vaak wiskunde en natuurkunde, blijken in het voortgezet onderwijs de vakken die op het moment het moeilijkst zijn in te vullen.
In figuur 2 is zichtbaar hoeveel uren er gemiddeld open stonden in scholen voor funderend en beroepsonderwijs aan het begin van de afgelopen drie schooljaren. Dat aantal is redelijk stabiel, alleen in het voortgezet onderwijs is het sterk gestegen.
Van de lwoo/vmbo-scholen in het voortgezet onderwijs kampt maar liefst twee derde met openstaande uren bij de start van het schooljaar 2002/'03. Dit geldt 'slechts' voor een derde van de havo/vwo-scholen. Scholengemeenschappen die enkel de theoretische leerweg van vmbo in huis hebben, staan er ook beter voor. Zij tellen voor de helft scholen met onvervulde uren. De brede scholengemeenschappen (havo/vwo inclusief alle vmbo-leerwegen) voeren de lijst aan: driekwart heeft vacatures (Berndsen et al. 2002).

Literatuur

© Sociaal en Cultureel Planbureau

Laatst gewijzigd: 20 augustus 2003. Opmerkingen en reacties gaarne naar de webmaster@socialestaat.nl.