De Sociale Staat van Nederland 2003, bijlagen

hoofdstuk 7: Participatie

Bijlage Bijlage 7.7 Percentage deelnemers aan vrijwilligerswerk en tijdbesteding van vrijwilligers in uren per week

Percentage deelnemers aan vrijwilligerswerk en tijdbesteding van vrijwilligers in uren per week, gecontroleerd voor de andere variabelen, bevolking van 12 jaar en ouder, 1990-2000a

  % deelnemers   uren vrijwilligerswerk
allen 28 4,8
tijdsdruk verplichtingen bèta = 0,13 bèta = 0,25
< 25 uur p/w 37 7,3
25-58 uur p/w 30 4,5
> 58 uur p/w 18 3,0
uren tv kijken bèta = 0,09 n.s.
< 4 uur 34 5,3
4-20 uur 31 5,0
> 20 uur 20 4,7
kerkelijke betrokkenheid bèta = 0,20 n.s.
geen kerklid 23 4,6
nominaal lid 27 4,9
kerks lid 44 5,3
sekse n.s. bèta = 0,12
man 30 5,7
vrouw 29 4,4
opleidingsniveau bèta = 0,11 bèta = 0,07
lo 20 5,1
lbo, ulo, mavo 27 5,3
havo, vwo, mbo 30 5,2
hbo, wo 38 4,4
fase gezinscyclus bèta = 0,10 bèta = 0,20
inwonend kind 27 6,5
alleenstaand, < 40 jaar 25 6,5
samenwonend zonder kind, < 40 jaar 23 6,1
gezin, jongste kind < 14 jaar 36 5,9
gezin, jongste kind > 14 jaar 27 4,3
samenwonend zonder kind, > 50 jaar 29 3,6
alleenstaand, > 50 jaar 29 4,0
geboortejaar bèta = 0,10 bèta = 0,18
voor 1950 33 5,9
1950-1969 30 4,0
na 1969 18 3,0
jaar bèta = 0,04 n.s.
1990 27 4,9
1995 32 5,0
2000 29 5,1

a Alleen bij significante verbanden is de bèta vermeld; p < 0,05.

Bron: SCP (TBO'90-'00)

Commentaar

In de tabel zijn enkele achtergrondkenmerken en leefstijlaspecten in combinatie geanalyseerd op hun verband met de deelname aan het vrijwilligerswerk en met de tijd die men daarin investeert. Putnam heeft tijdsdruk, televisiekijken en de wisseling der generaties als belangrijke factoren naar voren gebracht voor de door hem vastgestelde afbrokkeling van het sociaal kapitaal in de Amerikaanse samenleving. Met de bereidheid vrijwilligerswerk te doen vertoont de kerkelijke betrokkenheid van alle geanalyseerde kenmerken de sterkste samenhang, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de overige factoren. Andere belangrijke factoren zijn het opleidingsniveau en de tijdsdruk van de opeenstapeling van dagelijkse verplichtingen. Verder hangt de deelname in ongeveer gelijke mate samen met de generatie waartoe men behoort, en de fase in de gezinscyclus waarin men zich bevindt.
De uren die worden vrijmaakt voor het vrijwilligerswerk, houden eerst en vooral verband met het tijdbeslag van de dagelijkse verplichtingen. Vrijwilligers die geperst zitten in een strak tijdschema, vanwege de vele arbeids-, huishoudelijke en onderwijstaken waarvoor zij zich gesteld zien, blijken geneigd aanzienlijk te bezuinigen op de uren die ze vrijmaken voor het vrijwilligerswerk. Gecorrigeerd voor de andere kenmerken is het verschil tussen de meest drukbezette en de minst drukbezette groep vrijwilligers gemiddeld zo'n 4,3 uur per week. In mindere mate spelen daarnaast opnieuw de levensfase en het geboortejaar een rol. Met de tijd die voor de televisie wordt doorgebracht, is er wel een relatie maar die is nogal zwak. Putnam (2000: 228) hecht voor de Amerikaanse situatie zeer veel belang aan de invloed van televisie: '(…) each additional hour of television viewing, per day means roughly a 10 percent reduction in most forms of civic activism.' Voor Nederland lijkt dit een overdreven conclusie. Dat geldt overigens ook voor Vlaanderen (zie Elchardus et al. 2001).
De uitkomsten suggereren dat er maatschappelijke ontwikkelingen zijn die positief uitwerken op het vrijwilligerswerk, en ontwikkelingen die dit negatief lijken te beïnvloeden. De stijging van het opleidingsniveau is een stimulerende factor. Geremd wordt de bereidheid tot vrijwilligerswerk daarentegen door de ontkerkelijking (vooral onder de bevolkingsgroepen die zich in de middenfase van de levensloop bevinden), door een steeds grotere tijdbelasting vanwege combinaties van taken en – in mindere mate - door een stijgend aantal uren televisie kijken. De vaststelling dat eerdere geboortecohorten meer participeren dan latere werpt met het oog op de toekomst eveneens een schaduw over de huidige gunstige cijfers van het vrijwilligerswerk.

Literatuur

Elchardus, M., L. Huyse en M. Hooghe (red.) (2001). Het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Brussel: VUB Press.

Putnam, R.D. (2000). Bowling Alone. New York: Simon en Schuster.

© Sociaal en Cultureel Planbureau

Laatst gewijzigd: 27 augustus 2003. Opmerkingen en reacties gaarne naar de webmaster@socialestaat.nl.