Bijlage Bijlage 7.7 Percentage deelnemers aan vrijwilligerswerk en tijdbesteding van vrijwilligers in uren per week
Percentage deelnemers aan vrijwilligerswerk en tijdbesteding van vrijwilligers in uren per week, gecontroleerd voor de andere variabelen, bevolking van 12 jaar en ouder, 1990-2000a
| % deelnemers | uren vrijwilligerswerk | ||
| allen | 28 | 4,8 | |
| tijdsdruk verplichtingen | bèta = 0,13 | bèta = 0,25 | |
| < 25 uur p/w | 37 | 7,3 | |
| 25-58 uur p/w | 30 | 4,5 | |
| > 58 uur p/w | 18 | 3,0 | |
| uren tv kijken | bèta = 0,09 | n.s. | |
| < 4 uur | 34 | 5,3 | |
| 4-20 uur | 31 | 5,0 | |
| > 20 uur | 20 | 4,7 | |
| kerkelijke betrokkenheid | bèta = 0,20 | n.s. | |
| geen kerklid | 23 | 4,6 | |
| nominaal lid | 27 | 4,9 | |
| kerks lid | 44 | 5,3 | |
| sekse | n.s. | bèta = 0,12 | |
| man | 30 | 5,7 | |
| vrouw | 29 | 4,4 | |
| opleidingsniveau | bèta = 0,11 | bèta = 0,07 | |
| lo | 20 | 5,1 | |
| lbo, ulo, mavo | 27 | 5,3 | |
| havo, vwo, mbo | 30 | 5,2 | |
| hbo, wo | 38 | 4,4 | |
| fase gezinscyclus | bèta = 0,10 | bèta = 0,20 | |
| inwonend kind | 27 | 6,5 | |
| alleenstaand, < 40 jaar | 25 | 6,5 | |
| samenwonend zonder kind, < 40 jaar | 23 | 6,1 | |
| gezin, jongste kind < 14 jaar | 36 | 5,9 | |
| gezin, jongste kind > 14 jaar | 27 | 4,3 | |
| samenwonend zonder kind, > 50 jaar | 29 | 3,6 | |
| alleenstaand, > 50 jaar | 29 | 4,0 | |
| geboortejaar | bèta = 0,10 | bèta = 0,18 | |
| voor 1950 | 33 | 5,9 | |
| 1950-1969 | 30 | 4,0 | |
| na 1969 | 18 | 3,0 | |
| jaar | bèta = 0,04 | n.s. | |
| 1990 | 27 | 4,9 | |
| 1995 | 32 | 5,0 | |
| 2000 | 29 | 5,1 | |
a Alleen bij significante verbanden is de bèta vermeld; p < 0,05.
Bron: SCP (TBO'90-'00)
Commentaar
In de tabel
zijn enkele achtergrondkenmerken en leefstijlaspecten in combinatie geanalyseerd
op hun verband met de deelname aan het vrijwilligerswerk en met de tijd die
men daarin investeert. Putnam heeft tijdsdruk, televisiekijken en de wisseling
der generaties als belangrijke factoren naar voren gebracht voor de door
hem vastgestelde afbrokkeling van het sociaal kapitaal in de Amerikaanse
samenleving. Met de bereidheid vrijwilligerswerk te doen vertoont de kerkelijke
betrokkenheid van alle geanalyseerde kenmerken de sterkste samenhang, ook
wanneer er rekening wordt gehouden met de overige factoren. Andere belangrijke
factoren zijn het opleidingsniveau en de tijdsdruk van de opeenstapeling
van dagelijkse verplichtingen. Verder hangt de deelname in ongeveer gelijke
mate samen met de generatie waartoe men behoort, en de fase in de gezinscyclus
waarin men zich bevindt.
De uren die worden vrijmaakt voor
het vrijwilligerswerk, houden eerst en vooral verband met het tijdbeslag
van de dagelijkse verplichtingen. Vrijwilligers die geperst zitten in een
strak tijdschema, vanwege de vele arbeids-, huishoudelijke en onderwijstaken
waarvoor zij zich gesteld zien, blijken geneigd aanzienlijk te bezuinigen
op de uren die ze vrijmaken voor het vrijwilligerswerk. Gecorrigeerd voor
de andere kenmerken is het verschil tussen de meest drukbezette en de minst
drukbezette groep vrijwilligers gemiddeld zo'n 4,3 uur per week. In mindere
mate spelen daarnaast opnieuw de levensfase en het geboortejaar een rol.
Met de tijd die voor de televisie wordt doorgebracht, is er wel een relatie
maar die is nogal zwak. Putnam (2000: 228) hecht voor de Amerikaanse situatie
zeer veel belang aan de invloed van televisie: '(…) each additional hour
of television viewing, per day means roughly a 10 percent reduction in most
forms of civic activism.' Voor Nederland lijkt dit een overdreven conclusie.
Dat geldt overigens ook voor Vlaanderen (zie Elchardus et al. 2001).
De uitkomsten suggereren dat er maatschappelijke
ontwikkelingen zijn die positief uitwerken op het vrijwilligerswerk, en ontwikkelingen
die dit negatief lijken te beïnvloeden. De stijging van het opleidingsniveau
is een stimulerende factor. Geremd wordt de bereidheid tot vrijwilligerswerk
daarentegen door de ontkerkelijking (vooral onder de bevolkingsgroepen die
zich in de middenfase van de levensloop bevinden), door een steeds grotere
tijdbelasting vanwege combinaties van taken en in mindere mate - door
een stijgend aantal uren televisie kijken. De vaststelling dat eerdere geboortecohorten
meer participeren dan latere werpt met het oog op de toekomst eveneens een
schaduw over de huidige gunstige cijfers van het vrijwilligerswerk.
Literatuur
Elchardus, M., L. Huyse en M. Hooghe (red.) (2001). Het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Brussel: VUB Press.
Putnam, R.D. (2000). Bowling Alone. New York: Simon en Schuster.